Wat is er actueel aan de ideeën van Emmi Pikler?

Tijdens haar werkervaring viel het Emmi Pikler op dat kinderen van welgestelde ouders zich veel vaker bezeerden en ongelukken kregen. Hun balans was minder stabiel en hun bewegingen onhandiger. Wat was de reden dat deze kinderen zich lichamelijk minder goed ontwikkelden ten opzichte van kinderen van minder welgestelde ouders?

In dit artikel wil ik je een introductie geven in de visie van Emmi Pikler op bewegingsontwikkeling. Wat is er nu nog actueel aan haar ideeën, die ze inmiddels zo'n 90 jaar geleden ontwikkelde?

Emmi Pikler (1902 - 1984) was een Hongaarse kinderarts. Zij studeerde in Wenen. Haar loopbaan begon door werkervaring op te doen bij twee progressieve kinderartsen, professor Clemens von Pirquet en dr. Hans Salzer. Professor Pirquet leidde kinderartsen op om niet alleen ziektes te herkennen en te genezen, maar ook om actief na te denken over de gezondheid van kinderen en daar was opvoeding een belangrijk middel toe. De kinderarts dr. Salzer erkende de spanning van een bezoek aan de dokter. Voordat hij ging onderzoeken praatte hij net zo lang het nodig was met het kind totdat zij hem vertrouwden en ontspannen waren. Wanneer een kind toch moest huilen was het omdat iets pijn deed maar niet uit angst voor de dokter. Pirquet beïnvloedde Pikler door gezondheid centraal te stellen in plaats van ziekte en bij Salzer zag ze hoe respectvol communiceren met kinderen de relatie versterkte.

Een kind dat wordt geholpen terwijl hij leert lopen.

Balans leer je zelf

Het antwoord op de vraag waarom kinderen van welgestelde ouders meer ongelukken kregen is niet gelijk voor de hand liggend, maar wel logisch als je het hoort. Deze kinderen brachten veel meer tijd met een volwassene door. Er was vaak een kindermeisje die voor ze zorgde. Goed bedoeld werden de kinderen 'geholpen' met het leren zitten en tijdens het nemen van de eerste stappen kreeg het kind een ondersteunende hand aangereikt. Deze gebruiken zijn nog steeds veel voorkomend. Wat weinig mensen zich realiseren is dat een kind helpen op deze momenten de ontwikkeling van een eigen balans juist in de weg staat. Hierdoor leert het vertrouwen op de steun die buiten zijn lichaam ligt in plaats van op zijn eigen evenwichtsorgaan. Balans is niet aan te leren maar is iets wat een baby voor zichzelf zal vinden tijdens zijn eigen gekozen activiteiten.

Pikler observeerde dat kinderen die opgroeiden in een huishouden waar volwassenen ze niet in een houding brachten, zich beter motorisch ontwikkelde. Het kind nam pas een nieuwe houding aan wanneer het er zelf aan toe was. Pas dan waren de spieren voldoende gesterkt en had het kind vanuit zichzelf de interesse gekregen om een nieuwe stap te nemen. Wat opviel aan deze kinderen was dat zij vaak speelden met een rechte rug en een goed gevoel voor balans hadden.

Een kindje staat op de Pikler driehoek. Zij heeft haar handen niet nodig voor haar balans.

Opvoedadvies

In 1930 verhuisde Emmi Pikler naar Boedapest, waar ze 10 jaar als kinderarts werkte voor gezinnen. Wanneer een kindje was geboren kwam ze gedurende de eerste 10 dagen elke dag langs en de maanden daaropvolgend kwam ze wekelijks op huisbezoek. Ze was er als arts ter ondersteuning van de gezondheid maar ook voor de opvoeding van het kind. Haar belangrijkste adviezen aan de ouders waren:

  • Breng het kind niet in een houding waar die zelf nog niet in of uit kan komen.
  • Jaag het kind niet op.
  • Volg het tempo van het kind.
  • Behandel het kind met zachte hand.
  • Vraag om de medewerking van het kind.

Het weeshuis Lóczy

Vanaf 1946 kreeg ze de leiding over het weeshuis Lóczy. Het werd zo genoemd naar de straat waarin het huis gevestigd was. Daar kon ze haar ideeën over opvoeding verder uitwerken. Kinderen werden met respect toegesproken en behandeld. Nooit waren de handen van de verzorgster haastig of werden de kinderen op routinematige wijze aangeraakt. Wanneer een volwassene iets wilde van het kind werd om zijn medewerking gevraagd en rustig afgewacht totdat het kind zo ver was om zijn medewerking te verlenen. Het kind kreeg het vertrouwen. De verzorgster was ervan overtuigd dat hij zijn medewerking zal geven, op zijn eigen tempo en in zijn tijd.

Pikler ontdekte dat de zekerheid te ervaren dat je geliefd bent, één van de belangrijkste voorwaarde is om met plezier te kunnen bewegen en zelfstandig te kunnen spelen. Vanuit deze innerlijke zekerheid ontstaat de interesse bij kinderen om vanuit zichzelf de omgeving te gaan onderzoeken. Een vrije bewegingsontwikkeling is daarom altijd onlosmakelijk verbonden met een aandachtige, liefdevolle verzorging. Deze drie aspecten vormen een geheel waarin een kind zich optimaal kan ontwikkelen en de basis wordt gelegd voor de respectvolle relatie tussen de opvoeders en het kind.

Emmi Pikler in 1948. Foto: Marian Reismann.

Onderzoeken naar het verloop van de grote en fijne motoriek

In Lóczy werd de zelfstandige ontwikkeling van kinderen nauwkeurig bijgehouden. Pikler wilde haar ervaring en kennis over de zelfstandige bewegingsontwikkeling wetenschappelijk bewijzen. Ze gebruikte voor haar onderzoek de gegevens van 722 kinderen die onder haar zorg opgroeiden en die uit eigen initiatief en in hun eigen tempo tot lopen waren gekomen. De kinderen werden niet in houdingen gebracht of anderzijds gestimuleerd door toestellen of aanmoedigende opmerkingen. Alle kinderen doorliepen, met enige variatie, de verschillende fasen van de horizontale positie tot verticalisatie.

In haar onderzoek stonden de volgende vragen centraal:
1. Hangt de bewegingsontwikkeling af van het aanleren of stimuleren door de volwassene?
2. Hoe verloopt de ontwikkeling zonder aanleren of stimuleren?

Pikler wist natuurlijk al dat ze de eerste onderzoeksvraag met 'nee' kon beantwoorden. Maar het onderzoek is significant omdat er tot dusver geen grote groep kinderen was geweest die geen inmenging van volwassenen hadden gehad in hun bewegingsontwikkeling.

Wat opvalt aan de resultaten van de kinderen die waren geobserveerd in Lóczy, is dat de tijdspanne waarin een ontwikkelingsmijlpaal werd behaald veel ruimer is. Zo leert een kind zelfstandig zitten als hij tussen de 9 en 16 maanden oud is. In het gangbare idee over het bereiken van deze mijlpaal is de marge slechts drie maanden in plaats van vijf en zou het worden behaald wanneer een baby 6 tot 9 maanden oud is, veel eerder dus. Dit kan tot zorgen over de ontwikkeling leiden bij ouders. Zij krijgen met het idee dat hun kind zou moeten kunnen zitten als het 9 maanden oud is, misschien de neiging om hem te gaan helpen als hij nog niet zover is.

Op basis hiervan zou je kunnen denken dat kinderen die zelfstandig de mijlpalen behalen op alle punten later zullen zijn, maar dat is niet het geval. De data van de kinderen uit Lóczy werden vergeleken met de onderzoeksresultaten van baby's die wel door volwassene in posities waren gebracht. (Gesell, Brunet/Lézine, Schmidt/Komer, Bühler/Hetzer en Illingworth). Hieruit bleek dat er wel verschillen zijn wanneer tussengelegen mijlpalen worden behaald, zoals kruipen, zitten en opstaan met houvast. Dit vond iets later plaats bij de de kinderen uit de studie van Pikler. Maar de laatste mijlpaal; het loslopen kwam overeen met de kinderen uit de studies van Schmidt/Kolmer (liepen iets eerder) en Gesell (liepen iets later).

Magda Gerber vatte in haar zin "earlier isn't better" heel compact de essentie samen waar het eigenlijk om zou moeten gaan in de bewegingsontwikkeling; namelijk de kwaliteit van bewegen en niet de snelheid waarop een kind mijlpalen behaald. De kwaliteit van en het plezier in het bewegen was het meest belangrijk voor Pikler.

Wat verder opmerkelijk is, is dat bepaalde mijlpalen uit andere studies niet voorkwamen bij Pikler. Dit betrof de punten waarop de volwassene een kind hielp zoals het 'het kind zit met hulp', 'het kind blijft staan als het rechtop wordt gebracht' en 'het kind loopt aan de hand'. Daarnaast heeft Pikler belangrijke houdingen zoals de kniestand benoemd in de bewegingsontwikkeling. Deze houdingen kwamen niet voor in de tabellen van de andere studies, waarbij kinderen door volwassenen in houdingen waren gebracht.

Kniestand terwijl het kindje zich ondersteund. De kniestand vindt later ook los plaats.

Een tweede bijzonder studie deed Pikler naar de ontwikkeling van de fijne motoriek en de manipulatieve handelingen tijdens het vrije spel. Zij observeerde dat een baby in zijn eerste levensjaar wel 104 verschillende manieren gebruikt om een voorwerp te manipuleren. Betasten, bekijken, kneden, ronddraaien, heen en weer schuiven, kloppen, schudden, oppakken, loslaten, trekken, knijpen, wiebelen, draaien, kantelen. Dit is slechts een selectie van de variatie aan handelingen die een baby gebruikt om de eigenschappen van een voorwerp te leren kennen. In het eerste levensjaar volgen deze ontdekkingen zich volgens een bepaalde volgorde. Daarna wordt de manipulatie en de onderlinge mogelijkheden dermate complex dat het niet meer mogelijk was om het vast te leggen. Een gedetailleerd verslag van dit onderzoek naar de fijne motoriek is te lezen in dit bulletin in het artikel The researching infant geschreven door Anna Tardos.

Wat betekent dit voor nu?

Ten opzichte van 50 jaar geleden brengen ouders twee keer zoveel tijd door met hun kinderen. De ouders van een gemiddelde huishouden in Nederland lijken in dat opzicht meer op de welgestelde ouders van 100 jaar geleden, toen Pikler haar observaties deed en zag dat deze kinderen zich meer bezeerden en hun balans minder goed ontwikkeld was. Het idee dat volwassenen er goed aan doen om de bewegingsontwikkeling te stimuleren en het kind te helpen is ook nu nog eerder de norm dan een uitzondering. Bovendien zijn er allerhande producten te koop, zoals newborn eetstoelzitjes, wipstoeltjes en loopstoelen waar baby's veel tijd in door brengen. Deze spullen brengen baby's in een houding waar ze vaak zelf nog niet aan toe zijn en beperken de beweging. Als kinderen veelvuldig tijd doorbrengen in zitjes kan het zelfs de houding blokkeren in een C-curve.

Kortom, ik denk dat de observaties van Pikler en de studies die ze deed naar de zelfstandige bewegingsontwikkeling en de fijne motoriek tijdens het vrije spel nog steeds erg actueel zijn. Baby's die de gelegenheid krijgen om hun eigen initiatief te volgen en op eigen tempo nieuwe stappen te nemen, ontwikkelen niet alleen een goed gevoel voor balans, sterke spieropbouw en een goede houding. Nee, het grootste effect is niet fysiek, maar emotioneel. Vrij kunnen bewegen beïnvloed het zelfbeeld, de intrinsieke motivatie, zelfvertrouwen en het gevoel van competentie.

Ik kan het niet beter verwoorden dan Emmi Pikler dat zelf deed:

In de loop van zijn bewegingsontwikkeling leert hij dus niet alleen op zijn buik te draaien, te rollen, kruipen, zitten, staan of lopen, maar hij leert ook te leren. Hij leert zich zelfstandig met iets bezig te houden, interesse in iets te ontwikkelen, uit te proberen, te experimenteren. Hij leert moeilijkheden te overwinnen. Hij leert de vreugde en de bevrediging kennen die voortkomen uit zijn succes; het resultaat van zijn geduld en doorzettingsvermogen.

Emmi Pikler - Kan mijn baby dat ook al?

Door Esmé Valk